Renske Derkx1 Comment

Import-Hagenees

Renske Derkx1 Comment
Import-Hagenees

 

Ik ben een stadsmeisje. Maar toch ben ik geboren in een dorpje tussen de Veluwe en de Betuwe. Oké, officieel is mijn geboorteplaats wel een stad. Maar toch. De Veluwe en de Betuwe.

Toen ik drie jaar geleden in Den Haag kwam wonen, was dat voor de liefde. Ik gaf aan mijn vriend toe, omdat de prijzen in de stad van mijn studentenkamer torenhoog waren en ik op het moment van samenwoonplannen nog studeerde. Aangezien de huurprijzen in Den Haag een stukje lager waren, was de keuze gauw gemaakt.

En ik was even snel gesetteld. Verliefd op de stad, voelde me hier thuis, wilde niet meer weg, dat soort dingen. Het enige wat ik af en toe – tussen neus en lippen door – nog wel te horen kreeg, was een bepaalde term: import-Hagenees.

Ja, dat is natuurlijk waar. Ik ben een import-Hagenees. Dat werd bijvoorbeeld best wel duidelijk uit plagerige Sinterklaas-gedichten van mijn Haagse schoonfamilie. Ik moest de straatnamen nog leren, was niet vertrouwd met het feit dat tram 12 alleen naar Hollands Spoor rijdt (en dus níet aan het Spui stopt). Ik wist niet dat je de ‘Vogelwijk’ zegt, in plaats van de ‘Vogelenbuurt’. En ik leerde de verborgen, Haagse kroegjes pas later kennen.

Dit alles leerde ik grotendeels door Mijn Den Haag, het project dat ik samen met vrienden opzette. Wellicht lees je dit ook op de website van Mijn Den Haag en ken je het al. Punt is: we spreken wekelijks, soms dagelijks, inwoners van Den Haag over de stad. Toffe mensen, inspirerende mensen. Iedereen anders. Mensen die ons allemaal een stukje van de stad leren kennen. De meeste mensen zijn hier geboren, anderen zijn – net als ik – import.

Tijdens al die interviews vroeg ik me af: wanneer ben je dan een échte Hagenees/Hagenaar? Blijft dat voor altijd een geboorterecht, of ga je er op een gegeven moment ‘echt’ bij horen?

Voor mij heeft het te maken met het feit dat je je thuisvoelt in een stad. Dat je plekken, gewoontes en mensen kent. Ik heb vrienden die samen met me gingen lunchen aan het Valkenbosplein, samen met me slenterden langs de dure boetiekjes van de Fred, dronken met me werden in dat ene café in een schimmig zijstraatje. Ik sprak mensen die me kennis lieten maken met de Indische keuken, het warme van de Turkse cultuur. Ik drink koffie in the Student Hotel aan de Hoefkade, ben elke keer bang dat ik neerstort als ik de lift in het machinegebouw van de Binckhorst neem. Ik ruik iedere dag de hongermakende etensgeuren van Fat Kee wanneer ik er langs loop, met nieuwjaar luister ik naar het geknal van Chinese matten. Ik groet iedere ochtend in stilzwijgen dezelfde zakenlui in pak op de Turfmarkt. Ik maak foto’s van Haagse gebouwen en slenter op die manier uren door Escamp. Ik dineerde in de tram, maakte een bruiloft mee in stadsdeelkantoor Loosduinen. Ik kocht een kerstboom bij een caravan op de Theresiastraat, ploegde door het duinzand in het Westduinpark. Ik ontving de halve Haagse gemeenteraad op een huisfeestje. En ik lag middagen lang op een strandtent-stoel, me verwonderend over die gonzende groepen Pokémon-spelers. 

Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat vooral de mensen ertoe doen. Want ik had mijn plagende schoonfamilie, die me iedere keer weer hartelijk verwelkomde in hun (Haagse) wereld.

Afgelopen Sinterklaas werd het voor mij duidelijk dat ik eigenlijk net zo Haags aan het worden was als zij. En dat lieten zij me duidelijk weten: ze gaven me een Haagse stadskaart met daarop aanduidingen als de Graute Marrek en Plèn.

Dolblij was ik, omdat ik me eindelijk erkend voelde als inwoner van Den Haag.

Maar stiekem was ik ook een klein beetje chagrijnig. Moest ik wéér al die straatnamen uit m’n hoofd gaan leren, opnieuw.