'Het Vondelpark? Zo'n klein grasveldje'

'Het Vondelpark? Zo'n klein grasveldje'

Tomas Ross (1944) is al meer dan dertig jaar een van de meest toonaangevende thrillerauteurs in ons land: hij schreef tientallen boeken en series. Veel van zijn verhalen spelen zich af in Den Haag. Zijn lievelingsplek in de stad bevindt zich bij Mallemolen.

“Ik ben altijd heel jaloers op mijn vrouw. Die heeft prachtig in haar paspoort ’s-Gravenhage als geboorteplaats staan. In het mijne staat een evacuatieadres - ik werd buiten de stad geboren omdat mijn ouders de stad moesten verlaten vanwege het risico op bombardementen.

Ik heb hele goede herinneringen aan de kunstenaarskolonie in de Mallemolen en Schuddegeest. In die kleine arbeidershuisjes vestigden zich na de oorlog allemaal kunstenaars, waardoor het de bijnaam ‘Klein Montmartre’ kreeg. Schilders, musici, schrijvers. Overal klonk muziek, er waren allemaal cafeetjes. Het was een soort commune, iedereen deed het met elkaar. En verhalen over die tijd zijn er genoeg: van de emmer zuurkool die Jan Cremer in de winter buiten hing tot de moord in 1970. De ex van schrijver Hotz stak haar nieuwe vriend dood, jazztrompettist Serein Pfeiffer. Een van de meest geruchtmakende Haagse moorden van na de oorlog.

Ik zat op een particulier rijkeluisschooltje aan de Sophialaan. De Kleine Witte, in de Mallemolen, was ons spijbelcafé. Daar belden wij de school en gaven ons uit voor elkaars vaders. Dan deden we een kopje koffie en gingen vervolgens naar de bioscoop: om 10 uur de Rex aan de Lange Poten, waar nu Paagman zit, en dan om 12 uur naar de Apollo. Maar ‘Klein Montmartre’ trok ons ook: wij gereformeerde jongetjes zagen dingen die we niet voor mogelijk hielden. Al joegen de kunstenaars ons vaak weg, die hadden liever niet dat er van die puberjongetjes rondliepen.

Het typisch Haagse gevoel associeer ik verder met de jaren vijftig en zestig. Scheveningen, uitgaan, rock ’n roll. Je moet niet oud en nostalgisch worden, maar dat waren prachtige tijden. Den Haag is ook Indië trouwens: de oude toko's zoals Garoeda, de stroom van Molukkers die na de oorlog naar Den Haag kwamen.

Den Haag is voor mij ook wijdsheid. Mijn zoon woont nu in Amsterdam; als hij bij ons langskomt, krijgt hij acuut pleinvrees. Al die ruimte, al dat groen tussen die rare lage huizen en die kleine straatjes in het centrum. Het is een van de weinige grote Europese steden die direct aan zee ligt. Ik fiets elke dag nog twee uur door de duinen, of door Meijendel of Clingendael. Heerlijk verdwalen. Amsterdammers pochen zo graag met hun Vondelpark. Dan denk ik altijd: jongens, hou nou toch op zeg, waar hebben jullie het over? Zo'n klein grasveldje!”