'Ik voel mij nog steeds ontzettend welkom'

'Ik voel mij nog steeds ontzettend welkom'

 

Jan Boerstoel (1944) is een van de grootste tekstschrijvers die Nederland de afgelopen eeuw kende. Hij schreef teksten en gedichten voor vrijwel alle groten van het Nederlandse cabaret en won alle grote prijzen op dat gebied: van de Louis Davidsprijs via de Gouden Harp naar de Annie M.G. Schmidt-prijs.

“Ik ben geboren in het Laakkwartier in de Oudemansstraat; later woonden we in de Miquelstraat, een zijstraatje van het Lorentzplein. Ik heb daar een ontzettend fijne, prettige jeugd gehad. Het was na de oorlog een beetje 'vlees- noch visbuurt', zoals in Amsterdam het gebied bij de Admiraal de Ruyterweg. Er woonde petit bourgeois, enerzijds het hoofd van de lagere school of de directeur van het bijkantoor van de Rabobank, maar anderzijds ook veel mensen met wat lagere inkomens. Slechts een paar straatjes hadden toen een 'slechte naam'. De hele wijk was nog blank, dat is de decennia daarna wel veranderd.

JanBoerstoelportret.png

Na mijn lagere schooltijd ging ik naar Zandvliet. Paul van Vliet was de zoon van onze tekenleraar. Ik deed gymnasium, maar bleef zitten in de derde klas en moest toen naar de HBS. Dat betekende dat ik niet meer kon gaan studeren, omdat ik eerst in dienst moest. Ik had een oproep voor de landmacht, maar die zou pas geëffectueerd worden op mijn twintigste. Maar op mijn achtiende kon ik me al aanmelden als KVV'er, 'kort verband vrijwilliger', bij de luchtmacht. Dat was meteen een betaalde functie en die telde ook als dienstplicht; bovendien wist ik eigenlijk niet zo goed wat ik met mijn leven wilde. Ik zat vijf maanden in Breda, waar ik een officiersopleiding volgde, en vervolgens twee maanden in Middelburg. Daarna werd ik op mijn verzoek geplaatst bij de luchtmachtstaf, toen nog aan de Van den Boschstraat, tegenwoordig Prins Clauslaan. in Den Haag; dat is het gebouw waar nu het ministerie van Economische Zaken zit. Het grote voordeel was dat ik als officier thuis 'ingekwartierd' kon worden. Dat betekende netto dat ik weer bij mijn ouders ging wonen én dat zij geld daarvoor kregen.

Ik heb ruim drie jaar gewerkt op de afdeling Juridische zaken bij het Bureau Reglementen en Voorschriften, de luchtmacht-boekenuitgeverij. Ik bleek best gevoel te hebben voor taal en voor formuleren, vandaar dat ik af en toe  ook klusjes mocht doen voor het Bureau Juridische Zaken van diezelfde afdeling, de ‘verwijzingsofficier’, zeg maar het openbaar ministerie, van de luchtmacht. Ook kreeg ik een beurs van Defensie om een studie Nederlands te gaan volgen. Ik had liever rechten gedaan, maar dat bekostigden ze niet. Ik mocht Nederlands MO-A gaan doen en na mijn afzwaaien ben ik naar Amsterdam verhuisd voor mijn MO-B aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna haalde ik vrij snel mijn kandidaats Nederlands en uiteindelijk ben ik afgestudeerd in Algemene Taalwetenschap.

Ik heb tijdens mijn studie in Amsterdam heel veel mensen leren kennen met wie ik tientallen jaren heb samengewerkt: grote namen als Jacques Klöters, Ivo de Wijs, Willem Wilmink. In 1968 ben ik voor het cabaret Don Quishocking gaan schrijven en na mijn doctoraal ook voor de radio en een paar jaar later voor de televisie. Ik had een open sollicitatie gestuurd naar de VARA: 'ik schrijf voor theater, hebben jullie iets voor mij te doen?'. Willem van Beusekom nam mij aan, in eerste instantie om schoolradioprogramma’s  te gaan maken.

Ik heb nooit meer de behoefte gevoeld om terug te verhuizen naar Den Haag; mijn werk bevond zich grotendeels in Amsterdam en in Hilversum. Ik heb wel altijd binding met en liefde voor de stad gehouden. Mijn ouders hebben er nog lang gewoond. Op dit moment ben nog penningmeester van het Literatuurmuseum. Ik plak aan elk bezoekje het liefste een dag Den Haag vast, ik voel mij nog steeds ontzettend welkom. Den Haag is minder hectisch dan Amsterdam. Je voelt hier echt de historie aan je voorbij trekken als je een wandeling maakt. Maar als ik nu door de stad loop, voel ik vooral nostalgie; van oude mensen, de dingen die voorbij gaan. De meeste plekken uit de jaren vijftig en zestig waar ik herinneringen aan koester, zijn er niet meer.

Den Haag was vroeger ook geen stad voor jongeren. Er was nauwelijks een uitgaansleven; je kon in de zomer gaan dansen in Scheveningen. Op het Spui had je de Roaring Twenties, dat was een besloten club aan het begin van het Spui, bij de Bierkade. Daar moest je aankloppen en dan keek er iemand door een luikje om je goed te keuren, of niet. Ook kwam ik regelmatig bij Antiquariaat Vogel, eveneens aan het Spui - is er ook niet meer. En toen ik nog op de middelbare school zat gingen we vaak naar de REX, een bioscoop aan de Lange Poten, waar nu Paagman zit. Daar draaiden doorlopend films die we eigenlijk niet mochten zien en aten we in de lunchpauze onze boterhammen op.

Ik kwam heel graag in de prachtige neogotische leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek; die zat toen nog aan het Lange Voorhout, in een statig achttiende-eeuws pand. In 1982 werd dat de Hoge Raad; tegenwoordig zit er een vastgoedondernemer. De leeszaal bestaat niet meer, doodzonde. Er waren lange rijen tafels met lampjes; boven had je lange galerijen met metalen hekjes en kasten met duizenden boeken. Daar mochten gewone stervelingen niet komen. Wie een boek wilde, moest dat vragen aan doorlopend ssssst!-roepende dames. Ze hadden daar alles, zelfs zeventiende-eeuwse boeken die je mocht inzien. Ook ondenkbaar: in de jaren zestig en zeventig had zelfs de Amerikaanse ambassade aan het Voorhout nog een leeszaal, op de eerste verdieping. Er zat een ingang tegenover de schouwburg; er was geen toegangscontrole of bewaking, niets. Ze hadden heel veel Engelstalige boeken over fossielen, een van mijn hobby's.

Den Haag lijkt in heel veel opzichten niet meer op de stad van mijn jeugd. Maar nog altijd is er de Posthoorn aan het Voorhout. Dat is de reden dat ik voor deze plek kies. Ik kwam er vroeger al graag, en dat geldt nog steeds. Het is een van de weinige dierbare plekken uit mijn jeugd die nog bestaat, en die eigenlijk nauwelijks is veranderd.”