'Ik zie eruit als een Hagenaar, van binnen voel ik me Hagenees'

'Ik zie eruit als een Hagenaar, van binnen voel ik me Hagenees'

 

Ruim een jaar geleden kreeg Pauline Krikke (1961) te horen dat ze burgemeester van Den Haag zou worden. Ze was eerder wethouder in Amsterdam en burgemeester in Arnhem. Haar favoriete plek in Den Haag: het Atrium van het Haagse stadhuis.

“Ik kwam hier voor het eerst toen ik nog wethouder was in Amsterdam. Waarom ik hier precies was, weet ik niet meer. Maar ik kan je wél vertellen over mijn belangrijkste keer. Dat was toen ik burgemeester werd. De gemeenteraad had gestemd over wie ze zou willen en tot mijn onuitsprekelijke grote geluk werd ik het. Ik had van tevoren gezegd: ‘Áls ik het word, dan wil ik heel graag daarna naar het stadhuis komen om de raad te bedanken en om een gesprek daarover te hebben – van mens tot mens.’ Dat vond de raad een goed idee, dus toen ben ik hier door de draaideur gekomen en zag ik voor het eerst het stadhuis als het stadhuis waar ik burgemeester zou worden. En niet meer een plek ‘waar ik wel eens geweest was’. Dat moment staat bij mij in het geheugen gegrift.

Ik wist natuurlijk dat ’s avonds die raadsvergadering was, dus ik had die hele dag volgepland met werk. Want anders ga je maar zitten wachten totdat het avond is. Maar op een gegeven moment wordt het toch zeven uur. Ik had toen een pied-à-terre aan het Plein, boven Plein XIX, omdat ik toen nog in de Eerste Kamer zat. Dus mijn man Ron en ik zaten daar met z’n tweeën om de uitslag van de gemeenteraad af te wachten. Ik had bedacht wat ik in die tijd zou doen: Netflix kijken, de kranten uitgebreid lezen, ik had een stapel boeken neergelegd – want ik ging ervan uit dat het lang zou duren. Maar het enige dat wij gedaan hebben, is gebiologeerd kijken naar het scherm van TV West waar iedere keer werd gezegd dat ze er nog niet uit waren. Datzelfde filmpje kwam elke keer weer voorbij – ik zie het nu nog voor me – dat ze met al die stoelen aan het slepen waren. Terwijl we daar zaten, hoorden we op Radio West dat journalisten naar het Mauritshuis liepen, want daar was mijn voorganger met de collega’s van de G4 en de minister-president aan het diner. Wij hoorden die journalisten over het Plein lopen en zij zeiden tegen elkaar: ‘Ben benieuwd of daar de kandidaat zit’, of zoiets. Ron en ik moesten daar erg om lachen, want wij zaten op het Plein. Dus dat was buitengewoon geestig!

Toen was ik het geworden. We liepen van het Plein naar het Atrium van het stadhuis toe. Daar passeerde ons in grote draf een filmploeg. Die kwamen ons in de Korte Houtstraat echt rennend voorbij. Ik dacht: de kans dat ze naar mij op zoek zijn op het Plein, is tamelijk groot. Dus ik zei: ‘Heren, niet om het een of ander, maar zoekt u mij misschien?’ ‘Yes!’, reageerden ze. Daar heb ik nog even een interview gedaan, alvorens ik naar het Atrium ben gekomen.

Tandenpoetsen

Wat ik een van de leukste dingen aan het pied-à-terre vond, was dat ik ’s avonds mijn tanden kon poetsen boven de terrassen van het Plein. Aan het Plein kun je het geluid van de stad horen. De avond dat Bruce Springsteen optrad, was het echt een octaaf lager op het Plein. Want er waren die avond eigenlijk alleen maar mannen. Dus toen hoorde je boom, boom, boom, boom, boom, boom, boom.

Het leuke van hier burgemeester zijn: deze stad is zo veelzijdig, volgens mij kun je zelfs in één burgemeesterschap nog niet alles gezien hebben. Het ontdekken gaat nooit over. Je ziet op mijn Instagram dat ik heel veel werkbezoeken doe in de stad. Dat loopt heel erg uiteen. Ik bezoek de moeders in de Schilderswijk, dan ga ik weer naar de Koninklijke Bibliotheek, dan heb ik iets op de Sportcampus. Ik vind het heel erg van belang dat ik ook in de stad zichtbaar ben en dat ik heel veel mensen ontmoet. Wat ik nu doe, is niet zozeer kennis maken met de stad, maar dit is gewoon wat ik doe.

Haagser en Haagser

Toen ik wethouder van Amsterdam en burgemeester van Arnhem was, kwam ik met name in Den Haag voor de ministeries, bij dingen die de regering betreffen, instituties, allemaal van dat soort dingen. Nu, als burgemeester, realiseer ik nog steeds dat we heel veel ambassades hebben, dat de regering hier zit en dat de koning terugkomt om bij ons te wonen. Dat is hartstikke mooi. Ondertussen ben ik heel veel in de Schilderswijk geweest, kom ik veel in Transvaal, in Moerwijk, weet ik van Loosduinen en dat de oudste kerk werkelijk daar staat en niet hier – en hoe trots mensen daar op zijn. Dus ik voel mij Haagser en Haagser, met al die gebieden waar ik eerst niet zo snel kwam. Ook bijvoorbeeld de popcultuur: ik wist wel dat die er was, maar ik zie nu de bandjes optreden en ik zie dat de popcultuur ook echt iets Haags is en dat voelt ook zo.

De directheid in de gevoel voor humor, vind ik ook erg leuk. Die Haagse humor is heel snel. Wat ik daar prettig aan vind: het is met iedereen. Dus als ik op straat met iemand een praatje maak, is het ook heel gewoon om zo van tak-tak-tak snelle opmerkingen tegen elkaar te maken. In die opmerkingen zit ook communicatie. Dus het is niet alleen maar elkaar vliegen afvangen of wie is het leukst of wie is het snelst. Dus we hebben eigenlijk ook een gesprek in die humor. Dat vind ik heel erg Haags.

Humor

Als je het welbeschouwt, voel ik mij steeds Haagser en Haagser worden. Ik denk dat ik eruit zie als een Hagenaar, maar van binnen voel ik me een Hagenees. Omdat ik zo ontzettend veel Haagse inwoners tegenkom, weet ik dat ze heel divers zijn. Ze zijn divers van achtergrond, qua karakter, qua gevoel voor humor. Dus dé Hagenaar, daar heb ik geen beschrijving van.

Ik zou de stad heel erg gunnen dat mensen elkaar beter kennen en dat er meer betrokkenheid is. Als je in Benoordenhout woont, dat je dan ook eens in de Schilderswijk komt en vice versa. Want ik geloof erg dat als mensen elkaar kennen – hoe je heet, hoe je praat, wat je bezighoudt – dat dát het onderlinge begrip erg versterkt.

Atrium

Een plek waar mensen elkaar tegenkomen, is het Atrium. Wat ik prettig vind aan het Atrium: ik kom er altijd mensen tegen. Wat gebeurt er als ik ’s ochtends binnen kom? Ik zie dat de mensen van TrashUre Hunt aan het opbouwen zijn. Zij halen allemaal rommel van het strand, zodat het niet in zee waait. Ze doen belangrijk werk, dus dan maak ik even een praatje met ze. Als ik de trap naar boven neem, dan zitten bij brasserie MaZo (voorheen de Ooievaer) mensen op het terras. Dan zeggen mensen: ‘Nu ik u toch zie, zou ik het volgende aan u voor willen leggen…’ Dat vind ik ook helemaal prima. Dus ik kom veel in contact met mensen in het Atrium, maar er zijn ook veel wisselende tentoonstellingen die leuk en interessant zijn. Wat ik ook leuk vind aan het stadhuis – en dat heeft de architect goed bedacht – is dat het geen achteringang heeft. Dus al onze ambtenaren moeten net zo door het Atrium heen als iedereen. Het contact met de burger is er altijd. Dat vind ik heel goed.

Ik zit hier vaak tot redelijk laat in de nacht – zeker als de gemeenteraad vergadert, want dan duurt dat wel een tijdje. Als je hier dan alleen bent, kun je heel goed zien wat de schaal en de maatvoering is. Ik vind het heel knap dat de architect het stadhuis zo heeft gebouwd dat je er niet verloren voelt, als er verder helemaal niets gebeurt in het Atrium. Want dan is het nog steeds een intieme plek.

Strand

Wat ik opmerkelijk vind, is dat bijna iedereen in Den Haag zijn positie ten opzichte van het strand kan definiëren. Ik kom mensen tegen die zeggen dat ze op 21 minuten fietsen van het strand wonen. Ook echt precies 21 minuten… Of: precies 7 minuten lopen van het strand. Mensen weten heel erg precies op welke afstand van het strand ze wonen. Dat is echt zó Haags.”