'Ik droom nog wel eens dat ik wéér een nieuw theater begin'

'Ik droom nog wel eens dat ik wéér een nieuw theater begin'

 

Paul van Vliet (1935) is al ruim een halve eeuw actief als cabaretier en schrijver. In talloze liedjes en conferences beschreef Van Vliet de schoonheid van Den Haag. Hij speelt dit seizoen zijn laatste tournee Alleen op zondag.

“Ik heb al sinds jongs af aan een band met de zee. Mijn vader gooide mij er in toen ik twee jaar oud was. We woonden in het Statenkwartier; we gingen vaak voor het ontbijt zwemmen in zee. Dan liepen we in optocht in ganzenpas en badjas met de hele familie naar het strand. Ik wandel nog steeds vier, vijf keer per week lang de zee. Ik kan heel goed denken aan zee; de zee maakt mijn hoofd leeg. Al mijn dagelijkse besognes die afleiden, verdwijnen: kleine zorgen thuis, of over de zaak, gedoe in de wereld. En dan kan ik teksten bedenken, meestal op het ritme van mijn passen. Ik heb geen notitieblokje bij me, maar ik schrijf ze op in restaurant Oscars, ten noorden van het Kurhaus. Ik geef mijzelf altijd een opdracht als ik ga wandelen: verzin een liedje, of een voorwoord, of een toespraak voor een lezing. Soms lukt het niet, maar vrijwel altijd kom ik met íets terug. Ik loop het liefste als het eb is; daar stem ik mijn wandelingen op af. Dan is het strand breed, en kan ik zelfs als het vol is nog goed wandelen. Voor mijn tachtigste verjaardag kreeg ik dit laantje; dit is de plek waar ik elke wandeling het strand op loop.

Paul+van+Vliet+portret.jpg

Ik hou van Scheveningen, al is de allure van vroeger verdwenen. Voor de oorlog bruiste het Gevers Deynootplein van de kunst, cultuur en muziek. Alle groten der aarde op dat gebied traden toen op in Scheveningen; de namen staan op twee grote koperen platen die nog in het Kurhaus hangen. Het is een indrukwekkende lijst. Joop van den Ende heeft Scheveningen met het nieuwe Circustheater een prachtig cadeau gegeven, maar dat bruisende culturele gevoel van vroeger heeft de badplaats niet meer. Dat is heel jammer: er is geen betere remedie tegen een verregende dag op het strand dan een avondje entertainment.

De liefde van Den Haag voor cultuur gaat in golfbewegingen; soms is er veel subsidie, soms minder. Ik vind het van levensbelang dat een stad cultuur biedt; een stad zonder kunst, is een dode stad. Kunst is de bloem van het leven; theaters, concertzalen en musea zijn voor mij de belangrijkste gebouwen van de stad. Kunst verspreidt vreugde, ontroering, emotie. Juist in deze sombere tijden hebben we kunst nodig. Als ik een bezoek breng aan het Gemeentemuseum, kom ik er altijd vrolijk vandaan. Dat geldt ook als ik in de schouwburg speel: mensen stappen met een beter gevoel de nacht in dan waarmee zij kwamen. Kunst helpt mensen gevoelens te begrijpen, biedt inzichten die je zelf niet kreeg, kunst verbroedert en inspireert. Niets is fijner dan samen lachen in een volle theaterzaal. Ook als optredend artiest trouwens; het beste is een grap die mensen doet vergeten waarom ze eigenlijk precies lachen. Zo’n lach die mensen de tijd doet vergeten.

Ik heb een groot deel van mijn leven in Den Haag gewoond, al ben ik ook bijna veertig jaar weggeweest. Omdat ik vijf, zes keer per week optrad, zijn we in Breukelen gaan wonen. Dat was praktischer als ik op tournee moest, omdat het centraal in het land lag. Ik ben mij op den duur wel thuis gaan voelen in Breukelen, maar ik heb Den Haag en de zee in die periode wel altijd gemist. Deze stad laat je vrij, meer dan andere steden. Amsterdam is veel opdringeriger, Rotterdam heeft minder hart dan Den Haag. Onze stad is gezegend met een prachtig, duidelijk oud centrum. Het is een wereldstad die nog een zekere rust uitstraalt, vergeleken met andere wereldsteden.

Er zijn in Den Haag zo ontzettend veel locaties waar ik mij mee verbonden voel. Ik ben geboren op de Denneweg; daar woonde mijn overgrootmoeder in het huis waar nu de Haagse kunstkring zit. Mijn ouders waren huurders bij haar. Een andere plek die ik had kunnen kiezen is natuurlijk Theater Pepijn, dat ik in 1964 ben begonnen in een oud pakhuis in de Nieuwe Schoolstraat; om het pand te kopen, leenden we toentertijd 60.000 gulden. Iedereen zei dat we het niet moesten doen. Maar ik had de heilige overtuiging dat het móest. Ik was ervan overtuigd dat iedereen plat zou gaan voor mijn idee.

Het is lang moeilijk geweest om Pepijn open te houden; we hebben met regelmaat benefietvoorstellingen georganiseerd om extra geld in te zamelen. Het is een geluk dat veel grote cabaretiers een warm plekje in hun hart hebben voor het theater, omdat ze er allemaal zijn begonnen. Ze stonden in Pepijn toen ze hun eerste onzekere stappen maakten in het vak. Iedere collega zal dat gevoel herkennen: willen ze me wel zien, gaat het lukken om wat publiek te trekken? Youp speelde de eerste avond in Pepijn voor vier mensen, Herman Finkers voor elf mensen, Jochem Myjer voor dertien. Ik droom de laatste jaren nog wel eens dat ik wéér een nieuw theater begin, in het oude paleis op het Voorhout. Ik heb geen idee wat die droom betekent; misschien dat ik op deze leeftijd stiekem verlang naar een tweede leven.”