'Den Haag heeft een enorme muzikale status'

'Den Haag heeft een enorme muzikale status'

 

Violist Pieter van Loenen (1993) won al talloze concoursen en trad op met grote Nederlandse orkesten. Hij geldt als een van de grote viooltalenten van Nederland. In 2016 studeerde Van Loenen cum laude af aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Zijn favoriete plek in Den Haag is de Passage, waar hij van jongs af aan al optrad.

“Ik speelde vanaf mijn negende met regelmaat viool in de binnenstad. Soms op het Korte Voorhout, soms bij ‘t Gouden Hooft. Maar de Passage was toch wel mijn favoriete plek - de akoestiek hier is erg goed.

Zeker in de zomer deed ik het vaak, als het mooi weer was en ik weer een nieuw stuk Bach onder de knie had. Ik trok meestal een kort broekje aan, dan zag ik er nog jonger uit en gaven mensen nog meer geld. Mijn twee oudere broers gingen mee om de boel in de gaten te houden; zo’n vioolkist met muntjes van een jochie van negen, tien is natuurlijk zo weggegrist. Zij kregen als beloning een klein percentage van de opbrengst. Nerveus was ik nooit; als kind ben je nog heel onbevangen en besef je niet hoe eng het eigenlijk is om voor een groot publiek op te treden. Pas als je gaat puberen ga je je bedenken wat er allemaal mis kan gaan. Dan komen pas de zorgen om de hoek kijken.

Ik was zes jaar oud toen ik begon met viool spelen. Ik was absoluut niet meteen goed; mijn ouders zijn allebei musici, dus het was bij ons thuis heel gewoon dat je een instrument ging spelen. Pas toen ik negen was en tijdens een muziekweek in Maassluis opeens de eerste prijs won, ging ik er serieuzer over nadenken. Toen merkte ik pas dat er iets gebeurde als ik speelde: dat mensen luisterden en het mooi vonden.

Ik heb tijdens mijn middelbare schooltijd een opleiding aan het conservatorium gevolgd. Tegenwoordig is het gebruikelijk dat je dan alle lessen daar volgt, maar ik zat doordeweeks op Sorghvliet. Daar ben ik wel heel blij mee, want daardoor heb ik ook altijd contact gehad met leeftijdsgenoten buiten de muziekscene. Het relativeert heel erg om ook om te gaan met mensen buiten je vertrouwde ‘bubble’.

Ik voel me enorm thuis in Den Haag. Het is eigenlijk een dorp: je bent er zo buiten de stad en je komt altijd wel iemand tegen die je kent. Maar ondertussen heeft Den Haag wel alle voorzieningen van een metropool. Zeker op cultureel gebied, al staat dat natuurlijk onder druk sinds alle bezuinigingen. Ik heb soms het gevoel dat niet iedereen in de stad beseft hoe hoog Den Haag en Nederland in aanzien staan als het gaat om bijvoorbeeld muziek of dans. Zaken als het Residentie Orkest of het Koninklijke Conservatorium of het Mauritshuis worden vaak voor lief genomen, terwijl het heel bijzonder is dat we al die iconische instellingen in de stad hebben. Het is doodzonde om ze op te delen of te dwingen tot fusies.

Ik ben in de zomer van 2016 cum laude afgestudeerd; nu moet ik gaan proberen mijn eigen weg te vinden. Er is geen vast omlijnd plan voor muzikanten, vrees ik. Er is geen objectieve lijst met de grootste talenten van het land. Toeval speelt ook echt wel een rol. Je moet een beetje geluk hebben: er zijn genoeg podia of concoursen die violisten zoeken. Maar ze moeten je wel kennen en aan je denken. Het is ook wel spannend om dat zelf uit te gaan zoeken. Maar waar ik ook uitkom, ik zal uiteindelijk altijd terugkeren naar Den Haag. Het is toch een stad die in je DNA gaat zitten.”