'Het Lange Voorhout is het prachtigste plein van Nederland'

'Het Lange Voorhout is het prachtigste plein van Nederland'

Stefan de Walle (1965) is een van de bekendste acteurs van Nederland. Hij is vast verbonden aan het Nationaal Toneel, speelde rollen in hits als Flodder en De Marathon en verleent elk jaar zijn medewerking aan de Sinterklaasintocht. Zijn favoriete plek in Den Haag is het Lange Voorhout.

“Ik vind het Lange Voorhout het prachtigste plein van heel Nederland. Die statige bomen, die wonderschone panden. Het Voorhout heeft ruimte en breedte en loopt schitterend uit op de Vijverberg. Het is en blijft een heel bijzonder plaatje; ze zouden het alleen autovrij moeten maken.

Als jongetje heb ik hier heel veel tijd doorgebracht. Mijn moeder had hier vroeger een antiekkraam op de zaterdagmarkt. Als kind ging ik dan mee en speelde rond dat enorme gedenkmonument voor de Amerikaanse ambassade. Ik keek dan naar de Koninklijke Schouwburg, mij uiteraard totaal niet bewust van het feit dat ik daar ooit avond aan avond zou gaan spelen.

Op mijn zevende verhuisden we naar het oosten: mijn vader en moeder hadden opeens genoeg van alle vervuiling in de grote stad en waren verliefd geworden op Twello, in de buurt van Deventer. Na wat omzwervingen via Arnhem en Rotterdam keerde ik pas in 2000 weer terug naar Den Haag, omdat ik een vaste aanstellingen kreeg bij het Nationale Toneel (nu Het Nationale Theater).

Het kostte mij toen wat moeite om weer aan de stad te wennen; ik had mijn hart inmiddels ook wel een beetje verpand aan Rotterdam. We hadden daar een prachtig huis, onze kinderen zijn daar geboren. Rotterdam is een stad die constant in beweging is, er is altijd bedrijvigheid, het oogt internationaler. Den Haag moet meer zijn best doen om op te vallen: de stad is conservatiever, vertrouwt meer op zijn historie. Den Haag heeft zich eigenlijk ook nooit hoeven te bewijzen, want het is de regeringsstad, een stad met cachet. Een gedistingeerde stad met strop en vlinderdas. Dat mag wel wat hipper, denk ik.

Ik ben nog steeds vereerd als ik op het podium van de Koninklijke Schouwburg mag staan. Zolang ik me kan herinneren wilde ik al acteren. Als ik stout was en mijn ouders werden boos, dan loste ik dat op door gek te gaan doen. Ik merkte dat dat een talent van mij was. Maar het duurde lang voordat ik er achter kwam dat acteren een vak was. Mijn ouders waren kunstenaars, maar we gingen nooit naar het theater.

Soms vind ik het jammer dat het grootste deel van het ensemble in Amsterdam woont. Zij gaan dan na een repetitie of uitvoering gezellig met z’n allen in de trein terug; daar wordt dan gepraat en dat mis ik altijd. Maar ik zou op dit moment nergens anders willen wonen. In Den Haag is het relatief rustig; er zijn in het centrum nog zat plekken waar je nog niet struikelt over de toeristen met vlaggetjes, camera’s en joints. Den Haag is groen. En Den Haag heeft de zee en het strand.

Ik hou van het strand. Dat is eigenlijk één grote wasmachine, een plek waar je jezelf kan laten schoonspoelen. Heb je zorgen, of zit je hoofd vol met gedachten - op het strand komt alles tot rust en op orde. Je hoeft alleen maar wat te wandelen en je vergeet alle dagelijkse beslommeringen. De zee werkt louterend; je kan opeens hoofd- en bijzaken van elkaar onderscheiden. De zee brengt rust, maakt vrolijk, stemt soms ook weemoedig.”