'Ik hou van de bedrijvigheid van de Weimarstraat'

'Ik hou van de bedrijvigheid van de Weimarstraat'

Tom van Kalmthout (1991) brak als acteur door in films als Snuf de Hond en de bekroonde familievoorstelling De Gelaarsde Poes. Ook maakte hij met Yannick van de Velde de hitserie Rundfunk, die komend seizoen als toneelstuk in de theaters staat. Zijn favoriete plek in Den Haag is de Weimarstraat.

“Als ik terugdenk aan mijn jeugd in Den Haag hingen we eigenlijk altijd buiten. We waren geen hangjongeren, maar we waren altijd in het bos of in de duinen, of aan het voetballen. Als ik nu nog van het Centraal Station naar mijn ouderlijk huis bij Meer en Bosch fiets, dan heb ik bij bijna elk bankje op de Mient waar ik langs rijd herinneringen: oh ja, dáár zaten we, en dáár. We spraken altijd buiten af, behalve als het regende – dan sprak je buiten af onder een afdakje.

Na mijn eindexamen ging ik naar de Toneelschool in Amsterdam. Maar het eerste halfjaar woonde ik nog in Den Haag, omdat ik in 020 geen kamer kon vinden. In de Noorderbeekdwarsstraat, een zijstraat van de Weimarstraat, woonden drie vrienden van mij waar we vrijwel elke avond zaten. De rommel van de avond daarvoor lag er dan altijd nog: lege bierblikjes, volle asbakken, aluminium bakjes van het afhaaleten. Als we na het stappen thuiskwamen, om een uur of zes ‘s ochtends, reden we altijd even langs het Turkse bakkertje op de Weimarstraat. Als we dan aanklopten, kregen we een saucijzenbroodje.

Ik hou sowieso van de bedrijvigheid en het pretentieloze van de Weimarstraat. Er is altijd reuring, het is er altijd gezellig; het heeft bijna iets dorps. Mijn moeder haalde vroeger altijd vis bij de Egyptische visboer. Er zijn veel coffeeshops en cafés waar het zeker in het weekend een drukte van belang is. In Theater de Regentes in de Weimarstraat zag ik ook mijn eerste toneelstukken; we gingen daar altijd naar kindervoorstellingen. Rond mijn tiende besloten mijn ouders dat ik maar zelf toneel moest gaan spelen; ik was een vrij druk jongetje, ze hoopten dat ik zo mijn energie kwijt zou kunnen.

Ik heb jarenlang bij Rabarber gezeten, een van de twee jeugdtheaters die Den Haag rijk is. Ik speelde de hoofdrol in David Copperfield, door de hele stad hingen poster met mijn hoofd erop. Daarna volgde de Snuf de Hond-film, maar zelfs daarna duurde het nog heel lang voordat ik echt wist wat ik eigenlijk wilde doen. Zelfs toen ik werd aangenomen op de Toneelschool, ben ik daar ook maar mee doorgegaan omdat ik eigenlijk echt niets beters wist. Pas toen ik Midzomernachtsdroom zag, van de Paardenkathedraal, dacht ik: vét, dit wil ik ook! Ik had mij alleen nooit gerealiseerd dat acteren niet perse betekent dat je altijd maar ellendige zware stukken moet maken.

Het geeft zo’n kick om mensen aan het lachen te maken; ik ben heel blij dat ik op de toneelschool Yannick van de Velde heb ontmoet, met wie ik Rundfunk heb bedacht. We zijn twee verwende blanke jongetjes die het eigenlijk nooit echt moeilijk hebben gehad; dan ga je dit soort dingen maken. Onze humor is lomp en direct, misschien is dat wel typisch Haags te noemen. Ik had vroeger ook een sterker Haags accent; dat is er op de opleiding wel uitgeslagen. We hadden spraaklessen op maandag en donderdag; op donderdag praatte ik altijd ABN, maar op maandag, na drie dagen Den Haag, had ik toch weer die platte tongval.

Ik mis de stad nu vooral in de zomermaanden. Amsterdam heeft geen strand; het Vondelpark is geen goed alternatief. Gelukkig kom ik nog vaak in de stad; we eten op zondag altijd biefstuk met friet in ons ouderlijk huis. Daar is iedereen altijd bij – ik ben een beetje het zwarte schaap dat het de laatste tijd te druk heeft om elke zondag te komen.”